|
Steeds meer gemeenten in Nederland verzamelen
actuele buurtgegevens. Veel gemeenten doen dat in eigen beheer en ieder
op een eigen manier. Ook worden er veel verschillende benamingen
gebruikt. Men spreekt onder meer over een buurtmonitor (of wijkmonitor),
buurtatlas, buurtthermometer, buurtsignaleringssysteem of sociale atlas.
Hoewel er veel verschillen bestaan, zijn er ook duidelijke
overeenkomsten tussen al deze monitorsystemen.
Een buurtmonitor bestaat in de kern uit een bestand,
waarin relevante gegevens over de verschillende buurten (en soms ook kleinere
gebieden) zijn verzameld. Deze gegevens zijn afkomstig uit verschillende
bronnen. Over het algemeen wordt zowel gebruik gemaakt van bestaande bestanden en registraties
als enquêtes. Voorbeelden van gebruikte registraties zijn het
bevolkingsbestand, woningbestand, uitkeringsbestand en
klachtenregistraties, maar ook registraties van externen zoals CWI,
politie en woningstichtingen). In bewonersenquêtes worden vragen gesteld
over leefbaarheid en veiligheid, maar soms ook over participatie,
gezondheid en andere kenmerken. De gegevens worden over het
algemeen regelmatig geactualiseerd. Soms wordt in plaats van een enquête
onder de bevolking een peiling gehouden onder deskundigen. In enkele
gevallen worden kwalitatieve instrumenten ingezet zoals interviews of
groepsdiscussies met deskundigen en/of bewoners.
Aan deze gegevens wordt uiteraard wel een aantal eisen gesteld. Het is
weinig zinvol om alle gegevens die maar ergens in een bestand zitten op
een hoop te gooien en dan op buurtniveau de totaalcijfers te berekenen.
Het is juist belangrijk om een beperkt aantal indicatoren te kunnen
verzamelen, die samen een goed beeld geven van het woon- en leefklimaat
in de verschillende buurten. De indicatoren moeten natuurlijk aansluiten
op de beleidsdoelstellingen, waarvoor men het systeem wil gaan gebruiken.
De gegevens in het systeem worden verder op een bepaalde manier aan
elkaar gerelateerd. Wanneer men bijvoorbeeld de maatschappelijke
participatie in verschillende buurten wil vergelijken, is het absolute
aantal gebruikers van bepaalde voorzieningen (bibliotheek,
sportvereniging enz.) niet zo interessant. Veel belangrijker is het
aandeel van de bevolking dat gebruik maakt van een voorziening:
bijvoorbeeld het aantal bibliotheekleden gedeeld door het aantal
inwoners. Daarnaast is het juist de combinatie van al die verschillende
aspecten van het woon- en leefklimaat in één systeem die de kracht is
van een buurtmonitor.
In een buurtmonitor kun je echter nog een stapje verder gaan. Diverse
gemeenten hebben in de loop der tijd samenvattende totaalscores
ontwikkeld. Verschillende (relatieve) indicatoren worden dan op een
bepaalde manier samengevoegd tot een krachtig meetinstrument. Met behulp
van indicatoren zoals het aantal werkzoekenden, bijstandsgerechtigden,
bibliotheekleden, woningzoekenden en overlastmeldingen is bijvoorbeeld
een welzijnsscore te ontwikkelen. Een dergelijke totaalscore geeft in
één oogopslag een beeld van het welzijnsniveau in de verschillende
buurten. Ook een veiligheidsindex is een voorbeeld van een dergelijke
totaalscore.
Ook op basis van vragen in een bevolkingsenquête of deskundigenpanel is
het mogelijk dergelijke totaalscores te ontwikkelen. Bekende voorbeelden
zijn de scores uit de monitor van het Grote Stedenbeleid, zoals de
scores sociale kwaliteit van de woonomgeving, buurtprobleem overlast en
algemene evaluatie van de buurt. Totaalscores worden soms ontwikkeld met
behulp van statistische technieken, zoals correlaties, factoranalyse of
clusteranalyse, maar soms ook meer pragmatisch door de beleidsmatig
relevant geachte indicatoren te standaardiseren en vervolgens samen te
tellen.
Het bestand waarin al deze gegevens zijn verzameld is natuurlijk nog
geen erg bruikbaar beleidsinstrument. Het is belangrijk te zorgen voor
een bruikbare en duidelijke presentatie van de gegevens. Dat
gebeurt vaak in complete rapporten, maar ook via databases waarmee de
gebruikers zelf de gewenste gegevens kunnen selecteren en weergeven in
tabellen, kaarten of grafieken. Papieren publicaties zijn soms
statistische naslagwerken zonder interpretatie van de cijfers, maar
steeds vaker ook meer beschrijvende analyses met conclusies. In ieder
geval is het belangrijk dat het product gemakkelijk is te gebruiken en antwoord geeft op
de gestelde doelstellingen.
Een buurtmonitor is echter veel meer dan een bestand en een rapport.
Het heeft ook betrekking op de manier waarop de gegevens worden
verzameld en gebruikt. De organisatie van het systeem, inclusief
de noodzakelijke contacten tussen onderzoekers en beleidsmedewerkers,
tussen verschillende gemeentelijke afdelingen en tussen gemeente en
externe organisaties zijn ook belangrijke aspecten van het systeem. Vaak
wordt dan ook een stuurgroep samengesteld, waarin de betrokken
afdelingen en organisaties zijn vertegenwoordigd. Regelmatig overleg is immers
belangrijk gedurende het hele proces, van het selecteren van gewenste
indicatoren tot en met de interpretatie van de resultaten. Het gebruik
van één informatiesysteem door verschillende gebruikers kan ook een
middel zijn om het uiteindelijke beleid van verschillende gemeentelijke
diensten (en/of externe organisaties) in ieder geval gedeeltelijk op
elkaar af te stemmen. Diverse gemeenten maken - in ieder geval tijdens
de ontwikkelfase - gebruik van externe ondersteuning bij de organisatie
van het systeem. Belangrijk is ook dat het systeem relatief gemakkelijk
te actualiseren is (zowel voor de onderzoekers als voor de organisaties
die bestanden moeten aanleveren), zodat sprake kan zijn van een goede
verhouding tussen kosten en baten. In ieder geval zal de opzet in het
eerste jaar relatief meer tijd kosten dan bij toekomstige actualisaties.
|