|
|
Op deze pagina vindt u een aantal praktische
aspecten die van belang zijn bij het opzetten van een buurtmonitor. De
verschillende onderwerpen worden slechts summier aangeduid. Voor meer
informatie kunt u vrijblijvend contact opnemen met Oostveen
Beleidsonderzoek en Advies. De volgende onderwerpen komen op deze pagina
aan de orde:
- Selectie van indicatoren
- Het schaalniveau
- Actualisaties
- De organisatie
- Het gebruik
|
|
|
1. Selectie van indicatoren |
 |
 |
Wanneer wordt besloten tot de opzet van een buurt- of
wijkmonitor moet natuurlijk een beslissing worden genomen over de
indicatoren. Het gaat er dus om welke gegevens relevante informatie
over de buurten kunnen bieden. Daarbij is het van belang aan te sluiten
op de doelstellingen van de gebruikers en niet lukraak allerlei gegevens
te verzamelen. De gebruikers zullen dus eerst moeten aangeven welke
informatie zij eigenlijk belangrijk vinden. Op andere pagina's vindt u
meer informatie over het verzamelen van indicatoren: de verschillende
methoden die gebruikt kunnen worden, de
beschikbare data en een aantal
randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan.
Behalve de basisindicatoren worden soms ook samenvattende
totaalscores ontwikkeld die een totaalbeeld bieden van bijvoorbeeld
de mate van welzijn, kwaliteit van woningen en woonomgeving of sociale
cohesie. Verschillende (relatieve) indicatoren worden dan op een
bepaalde manier samengevoegd tot één krachtig meetinstrument, waarmee de
buurten onderling gemakkelijk kunnen worden vergeleken. Samenvattende
totaalscores worden soms ontwikkeld met behulp van statistische
technieken (zoals correlaties, factoranalyse of clusteranalyse), maar
soms ook op basis van een meer beleidsmatige afweging: welke facetten
vinden we eigenlijk belangrijk?
|
|
|
2. Het schaalniveau |
 |
 |
Een andere belangrijke beslissing ten aanzien van een
buurtmonitor heeft betrekking op het schaalniveau waarop de
gegevens worden verzameld. Meestal is dat het buurtniveau, maar soms ook
kleiner (subbuurt) of groter (wijk of stadsdeel). In enkele gevallen
wordt gebruik gemaakt van straten, woningcomplexen of postcodegebieden
(4-positie of 6-positie). De gegevens worden in ieder geval
niet verzameld op individueel niveau (persoon, huishouden, woning),
zodat de privacy van bewoners gewaarborgd blijft. Wanneer gegevens op
laag schaalniveau worden verzameld (bijvoorbeeld per volledige postcode
of straat) worden deze meestal alleen op een hoger niveau gebruikt en
openbaar gemaakt. In de Stadsmonitor Amsterdam bijvoorbeeld worden
postcodegebieden automatisch geclusterd tot concentratiegebieden, die
alleen zichtbaar worden bij een bepaalde minimum omvang. De meeste
buurtmonitors echter bevatten gegevens op wijk- of buurtniveau.
Bij de keuze van het schaalniveau spelen verder beschikbaarheid en
bruikbaarheid een rol. De beschikbaarheid van gegevens op het
juiste schaalniveau is een eerste belangrijke criterium. De gegevens
zijn immers meestal afkomstig uit diverse bestanden, waarin vaak
verschillende gebiedsindelingen worden gehanteerd. De code van de
officiële CBS-buurt is in de meeste bestanden (zeker de externe) meestal
niet opgenomen. Een postcode is tegenwoordig meestal wel opgenomen en
daarmee goed bruikbaar. De postcode kan ook behulpzaam zijn wanneer de
gegevens per buurt worden verzameld, mits er een postcode-buurt-vertaaltabel
beschikbaar is. Bij de inzet van een bevolkingsenquête spelen natuurlijk
ook de kosten een rol: hoe lager het schaalniveau, hoe hoger de kosten
om voor elk gebied betrouwbare resultaten te kunnen weergeven. Bij
rapportcijfervragen en samengestelde schaalscores zijn minder
respondenten per gebied nodig. Dat maakt het mogelijk op een relatief
lager schaalniveau te enquêteren, zoals bijvoorbeeld bij de
Wijkatlas Roosendaal.
Wat betreft de bruikbaarheid van het schaalniveau is het in ieder
geval belangrijk dat aansluiting wordt gevonden op die gebiedsindeling
die voor het gemeentelijk beleid van belang is. Wanneer buurtbeheer
wordt uitgevoerd op het niveau van buurten komt de buurtindeling het
meest in aanmerking. Soms zijn de buurten zo groot en gevarieerd, dat
een lager schaalniveau beter bruikbaar blijkt te zijn. In andere
gevallen echter zijn de buurten juist te klein om zinvolle informatie te
kunnen bieden. De ideale buurtindeling bestaat overigens uit gebieden,
die zelf zo homogeen mogelijk zijn (qua o.a. bebouwing en bewoners) en
zich onderscheiden van de omliggende gebieden. Niet zelden blijkt dat de
tot nu toe gehanteerde buurtindeling niet (meer) voldoet en wordt een
nieuwe buurtindeling vastgesteld, die vervolgens bij het CBS kan worden
aangemeld. Anders dan de naam doet vermoeden, zijn het namelijk
gemeenten die de officiële CBS-wijk- en buurtindeling vaststellen. Met
behulp van een raads- of collegebesluit kan een nieuwe indeling bij het
CBS worden aangemeld.
|
|
|
3. Actualisaties |
 |
 |
In principe is het mogelijk om gegevens in een
buurtmonitor eenmalig te verzamelen, hoewel van een monitor dan
eigenlijk niet gesproken kan worden. De meeste gemeenten besluiten dan
ook om de gegevens regelmatig te actualiseren. Juist het opzetten
van een informatiesysteem kost veel tijd, maar voor een belangrijk deel
is dat een eenmalige investering. Wanneer de monitor eenmaal is
ontwikkeld zal het relatief eenvoudig zijn om de gegevens vaker te
verzamelen. Een periodieke actualisatie geeft het systeem ook een
duidelijke meerwaarde. Niet alleen kan men dan steeds beschikken over
actuele gegevens, maar ook worden in de loop der tijd ontwikkelingen
zichtbaar.
Wanneer wordt besloten om de gegevens regelmatig te verzamelen, moet
uiteraard een beslissing worden genomen over de frequentie van
actualisatie. Zoals ook bij het selecteren van de te gebruiken
indicatoren speelt het doel van het systeem een belangrijke rol:
waarvoor moet het systeem worden gebruikt en hoe vaak is het nodig te
beschikken over actuele gegevens. Bedacht moet worden dat veel
indicatoren in de loop van een jaar op buurtniveau slechts marginale
verschuivingen laten zien. Aan de andere kant wordt een systeem soms
gebruikt om snel te kunnen inspelen op ontwikkelingen in de buurt. Men
moet zich dan natuurlijk kunnen baseren op zeer actuele gegevens. Vooral
indicatoren die betrekking hebben op feitelijke voorvallen (vernielingen,
meldingen bij de politie, klachten over onderhoud, hulpverlening) kunnen
relatief snel reageren op ontwikkelingen in de buurt - zowel positief
als negatief. Ook gesprekken met sleutelfiguren of bevolkingsenquêtes
kunnen de actuele situatie snel zichtbaar maken, maar een nadeel in dat
geval is de relatief grote onbetrouwbaarheidsmarge.
Veel gemeenten die een buurtmonitor hebben ontwikkeld actualiseren
jaarlijks de gegevens. In een zeer beperkt aantal gevallen worden de gegevens
vaker geactualiseerd (bijvoorbeeld per half jaar). Het moet dan wel gaan
om een beperkt aantal indicatoren, terwijl het genereren en verwerken
daarvan zo veel mogelijk is geautomatiseerd. Andere gemeenten
actualiseren de gegevens eens in de twee, drie of vier jaar (zeker bij
bevolkingsenquêtes is een jaarlijkse actualisatie relatief duur en
meestal niet zinvol). Soms ook worden bepaalde indicatoren vaker
geactualiseerd dan andere.
Om in de loop der tijd gegevens zinvol te kunnen vergelijken moet
overigens wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Om maand-
en seizoensinvloeden zoveel mogelijk uit te sluiten verdient het
aanbeveling elk jaar dezelfde meetdatum te hanteren. Het tijdsinterval
tussen verschillende meetdata is dan ook steeds gelijk. Het is ook aan
te raden zoveel mogelijk voor alle gegevens dezelfde datum te gebruiken.
Gegevens uit verschillende bron worden vaak gecombineerd (bv. aantal
bibliotheekleden in % van de bevolking), waarvoor eenzelfde meetdatum
eigenlijk een voorwaarde is. Natuurlijk is het ook belangrijk om steeds
exact dezelfde definitie te gebruiken. Wanneer dat niet mogelijk of niet
gewenst is, moet de wijziging in de definitie in alle publicaties
duidelijk worden aangegeven, zodat geen verkeerde conclusies worden
getrokken.
|
|
|
4. De organisatie |
 |
 |
Een buurtmonitor is meer dan een bestand met gegevens,
of een programma om die gegevens weer te geven. Het begrip buurtmonitor
heeft ook betrekking op de manier waarop de gegevensverzameling en het
gebruik van die gegevens zijn georganiseerd. Juist een goede organisatie
bepaalt in hoge mate hoe efficiënt de gegevens worden verzameld, of de
juiste gegevens op correcte manier worden verzameld en ook hoe bruikbaar
de gegevens uiteindelijk blijken voor het beleid. Voor een bruikbare
buurtmonitor is het dan ook essentieel ruim aandacht te besteden aan de
organisatie.In de aanloopfase is het in de eerste plaats
belangrijk te bekijken hoe het systeem wordt opgezet. Welke organisaties
of afdelingen willen meedoen en/of meebetalen met het systeem? Bijna
altijd zijn er immers meerdere organisaties/afdelingen die belang hebben
bij bruikbare en actuele gegevens over de buurten. Zij kunnen dan
allemaal profiteren van hetzelfde systeem, wat natuurlijk efficiënter is
dan wanneer iedereen zelf de gegevens zou verzamelen. Door reeds in een
vroeg stadium al deze instanties bij het systeem te betrekken kan het
systeem optimaal worden afgestemd op de informatiebehoefte van de
betrokkenen. Mogelijk kunnen ook de financiële en/of personele lasten
enigszins worden gespreid.
Met de betrokkenen dient vervolgens een soort blauwdruk of plan van
aanpak te worden opgezet voor de opzet en organisatie van de
buurtmonitor. Een groot aantal praktische zaken moet nader worden
ingevuld: welke indicatoren gaan we gebruiken van welke organisaties,
wat wordt de eerste meetdatum en hoe vaak worden de gegevens
geactualiseerd, op welk schaalniveau worden de gegevens verzameld, hoe
worden de gegevens gepresenteerd, welke afdeling/organisatie voert de
coördinatie, wie gaat de gegevens bewerken en beheren, enz.
Het is juist deze fase die over het algemeen veel tijd kost, meer
tijd vaak ook dan werd voorzien. Maar tegelijk is dit een erg
belangrijke fase, zeker wanneer het de bedoeling is dat het systeem
meerdere jaren op ongeveer dezelfde voet gehandhaafd blijft. Gelukkig is
al op veel plaatsen ervaring opgedaan met dergelijke systemen, zodat het
niet nodig is opnieuw het wiel uit te vinden. Organisaties en/of
gemeenten die zelf een nieuwe buurtmonitor willen gaan opzetten doen er
dan ook goed aan zich uitgebreid te laten informeren. Ze kunnen
literatuur en rapporten bestuderen, contact opnemen met andere gemeenten
die al eerder een dergelijk systeem hebben opgezet of zich laten
adviseren door een extern bureau dat op dit terrein ervaring heeft. In
sommige gevallen kan het gewenst zijn om - zeker in het eerste jaar -
ook een deel van de feitelijke werkzaamheden uit te besteden.
Oostveen Beleidsonderzoek en Advies kan u
hierover vrijblijvend adviseren, ook wanneer u het systeem geheel in
eigen beheer wilt ontwikkelen.
In de aanloopfase moet dus een aantal cruciale beslissingen worden
genomen over het systeem, en worden veel feitelijke werkzaamheden voor
de eerste keer uitgevoerd. Tijdens de volgende jaren is dat in
mindere mate noodzakelijk. De opzet van het systeem ligt dan vast,
hoewel kleine bijsturingen natuurlijk altijd mogelijk zijn. Wanneer
bepaalde aspecten van het systeem niet voldoen, is het immers aan te
bevelen daar zo snel mogelijk verbetering in te brengen - mits de
continuïteit zoveel mogelijk blijft gehandhaafd.
De feitelijke werkzaamheden zullen na het eerste jaar gemakkelijker zijn
en minder tijd in beslag nemen dan het eerste jaar. Dat geldt
bijvoorbeeld ten aanzien van het genereren van de benodigde gegevens uit
verschillende registraties, maar ook ten aanzien van de koppeling en
controle van al die bestanden en de uiteindelijke presentatie in een
rapport, bestand of computerprogramma. Voorwaarde is uiteraard dat de
gebruikte computerprogramma's worden bewaard en dat er een zeer goede
documentatie wordt bijgehouden van alle werkzaamheden die moeten worden
uitgevoerd en alle beslissingen die zijn genomen (bv. over definities en
selectie-criteria).
Ook na het eerste jaar is een goede organisatie van groot belang. Het is
sterk aan te bevelen dat één persoon binnen een bepaalde afdeling een
coördinerende rol op zich neemt. Er moet voldoende duidelijkheid bestaan
over de meetdata en alle betrokkenen moeten er tijdig aan worden
herinnerd dat zij hun jaarlijkse werkzaamheden moeten uitvoeren. De
coördinator moet er op toe zien dat alle gegevens tijdig worden
aangeleverd en hij moet deze steeds controleren. Hij zorgt er ook voor
dat de gegevens tijdig verder worden verwerkt en het hele tijdpad wordt
gehaald.
|
|
|
5. Het gebruik |
 |
 |
Een laatste aspect van de organisatie van het systeem
betreft het gebruik van de gegevens. Een buurtmonitor stopt niet
bij het drukken van een statistische wijkatlas of het verspreiden van
een bestandje. Juist wanneer eindelijk allerlei cijfers en gegevens
beschikbaar komen, komt het er op aan deze op de juiste wijze te
gebruiken. Een optimale presentatie is daarvoor een eerste, maar niet de
enige voorwaarde. De beleidsmedewerkers en anderen die de cijfers gaan
gebruiken en interpreteren moeten goed beseffen wat voor
conclusies zij aan de informatie kunnen verbinden. Zij moeten dus weten
wat ze wel en niet met de cijfers kunnen doen en welke haken en ogen er
aan zitten. Alleen dan kunnen de 'ruwe data' worden omgezet in bruikbare
beleidsinformatie en werkelijk een meerwaarde bieden. Een deskundige op
het gebied van statistische informatie zou in deze fase een belangrijke
rol moeten spelen.
Het is aan te bevelen bij het interpreteren van de gegevens meerdere
organisaties te betrekken. Zij kunnen met elkaar de resultaten vanuit de
buurtmonitor bespreken en vergelijken met hun eigen ervaringen en
referentiekader. Waar problemen of achterstanden worden gesignaleerd kan
gezamenlijk worden nagedacht over mogelijke oplossingen. Het afstemmen
van beleid door verschillende organisaties wordt bovendien gemakkelijker,
wanneer zij zich baseren op dezelfde informatie en deze ook samen
bespreken. Een dergelijk overleg kan ook worden gebruikt om vast te
stellen op welke onderdelen het informatiesysteem mogelijk (nog) niet
voldoet en mogelijk aangepast of uitgebreid moet worden.
|
| Meer
informatie |
 |
|
|
|
|
|
|